web analytics

De acht gemoedstoestanden uit het leven van Hans en Grietje

(pragmatisme)
Ken je dat sprookje van Hans en grietje. Die ouders van Hans en
Grietje, hij was houthakker, hadden niet meer voldoende eten om het
gezin van vier te onderhouden. Moeder bedacht daar een plan voor.  Ze
besloten om de twee kinderen op een dag naar het bos te brengen en ze
daar achter te laten. Dan hadden tenminste voldoende eten over voor
zichzelf. En moeder stond helemaal achter deze oplossing.

(nieuwsgierig)
Maar die Hans had het gesprek opgevangen. En terwijl zijn zusje in tranen naast hem in bed lag, zei hij tegen grietje: ‘we moeten een plan bedenken’?. Ze dachten heel lang na en ineens wisten ze het.
Ze wachten net zo lang tot dat vader en moeder naar bed gingen en toen slopen ze op hun tenen naar beneden.
Ze gingen door de achterdeur naar buiten. In de tuin lagen witte kiezelsteentjes te glanzen in het maanlicht. Ze stopten er zoveel als ze konden in de zak van hun pyama. En daarna liepen ze weer zachtjes naar boven.

(vastbesloten)
De volgende ochtend kwamen Hans en Grietje beneden.
Van vader kregen ze een stuk brood. Dat was het laatste . Hans wilde er een grote hap uit nemen, hij had immers al de hele nacht honger geleden, Maar moeder schreeuwde: ‘?niet doen, dat is voor vanmiddag. Je zult het nog het nodig hebben’?. Moeder had haar plannen niet gewijzigd. Ze wist het zeker. Punt uit.

(creativiteit)
Onderweg in het bos sjokte vader wat met gebogen hoofd voor moeder uit.
En iedere keer als vader en moeder niet opletten, dan lieten Hans en Grietje stiekem een kiezelsteentje vallen op het pad.
Soms dan vroeg moeder:’?wat lopen jullie toch te drentelen’??
En dan zeiden Hans en Grietje: ‘O, we kijken wat naar de bloemen en naar de bomen’?.
En ze hadden niets door.

(bewustzijn)
Toen ze diep in het bos waren, zei moeder dat ze even nog hout gingen samen. Zij moesten maar even wachten. Hans en Grietje wisten wel beter.
Ze bleven rustig op hun plekje zitten.
Omdat ze zo moe waren vielen ze in slaap en pas midden in de nacht werden ze wakker. Ze waren helemaal alleen in het bos.
Kom zei Hans, we gaan. Hij wist zeker dat ze door de steentjes de weg weer terug konden vinden.
En jawel. Tegen de ochtend bereikten ze hun huisje.

(vastbesloten)
Moeder liet het er niet bij zitten. Ze vertelde vader dat ze het morgen weer opnieuw zouden proberen. We nemen een moeilijke weg zodat ze zeker de weg niet meer terug kunnen vinden.
Vader vond het sneu voor de kinderen. Maar moeder was niet van haar plan af te brengen.

(creativiteit)
De volgende nacht slopen Hans en Grietje weer naar beneden.
Ze zagen door het raam de prachtige steentjes glinsteren in de maneschijn. Maar tot hun grote verbazing waren alle deuren op slot en ze konden niets uit de tuin verzamelen.
De volgende ochtend gingen ze weer op pad. Hans en Grietje hadden een stuk brood gekregen voor de middag.
En Hans kreeg een goed idee. Hij zei:’? Grietje, we strooien iedere keer een stukje brood op het pad, dan kunnen we toch de weg weer terugvinden’?. En zo liepen ze steeds dieper het bos in.

(flexibel)
Nadat de ouders weg waren gegaan, besloten Hans en Grietje om op dezelfde manier de weg weer terug te bewandelen.
Maar nergens zagen ze nog broodkruimels. Plots verscheen er een klein wit vogeltje. Hij bedankte ze voor het brood.
‘Ja maar’?, zei Hans, ‘nu zijn we de weg kwijt’?.
‘Ach’?, zei het vogeltje, ‘volg mij maar ik weet wel een plek waar je naar toe kan’?.
En Hans en Grietje volgden de vogel en ze kwamen bij een prachtig huisje. Een huisje met muren van peperkoek en een dak van speculaas. ‘Dank je wel vogelte’?, riep Hans. Maar het vogeltje was al weer weg. Tevreden deden Hans en Grietje zich te goed aan al het lekkers.

(nieuwsgierigheid, openheid)
Toen hoorde ze een krakend stemmetje. ‘Knibbel knabbel knuisje, wie knabbelt daar aan mijn huisje’?.
En Grietje riep snel: ‘het is de wind, de wind, mijn lieve kind’?.
Maar daar trapte de stem niet in. De deur ging plotseling open. En Hans en grietje stonden oog in oog met een hele lelijke oude vrouw. ‘O’?, zei Grietje, een heks’?!
‘Nee’?, zei de vrouw, ‘ik ben een zielige arme vrouw en ik heb heel veel lekkers voor jullie binnen klaargezet’?. ‘Kom maar binnen, kom maar’?. Hans en Grietje waren moe en hadden vreselijke honger.
Samen liepen ze het huisje in. En de vrouw had niet gelogen. De hele tafel stond vol met lekkernijen. Ze aten alles wat maar wilden. En daarna kregen ze een prachtig opgemaakt bed om in te slapen.

(verantwoordelijkheid)
De volgende ochtend verliep het heel anders. Hans werd direct in een kooi gezet. Ze ging hem vetmesten en voor haar verjaardag braden. En Grietje moest het hele huis schoonhouden.
En Grietje deed wat ze moest doen. Iedere dag dweilen, eten maken voor Hans en de heks, de bedden opschudden en ondertussen hield haar hoofd niet op met denken, hoe ze Hans en zichzelf uit deze situatie konden bevrijden. Zij zou alle mogelijkheden onder de loep nemen.

(creativiteit)
Iedere dag kwam de heks Hans controleren. Kijken of hij al vet genoeg begon te worden. Maar gelukkig had Hans daar wat op bedacht.
Gelukkig kon de heks niet goed zien, en telkens als Hans zijn vinger door de tralies moest steken, dan stak hij een kippenboutje naar buiten. Al mopperend liep de heks dan weer weg.

(pragmatisch, creatief)
Na vier weken was de heks jarig. Ze voelde aan de vinger van Hans, die nog steeds niet dikker was geworden.

‘Ik snap er niks van’?, zei de heks. Ze was boos. ‘Het kan me niet schelen, vandaag ben ik jarig en vandaag eet ik je op’?.
Ze rende naar binnen en schreeuwde tegen Grietje:’?maak de oven aan, vandaag ga ik je broer braden’?.
Grietje deed netjes wat haar gevraagd werd.
Toen de oven aan was, vroeg de heks of hij al warm genoeg was.
Maar Grietje zei:’?hoe moet ik dat controleren, mevrouw’??
De heks kwam ongeduldig naar de oven en stak haar hoofd door de tralies.
En daar stond Grietje dan, vlak achter de rug van de heks.
Ze haalde diep adem en duwde de heks met volle vaart de oven in en sloot het deurtje.

(pragmatisch)
Ze bevrijdde Hans uit zijn kooi. ‘Kom’?, zei Grietje, ‘binnen in huis staat een kist met goud, laten we die meenemen’?. Samen vluchten ze uit het huisje, het bos in. Ze hoorde nog steeds het gekrijs van de heks. Maar hoe verder ze kwamen des te zachter werd het gekrijs.

(flexibel, openheid)
Ze liepen uren in het bos. De weg was moeilijk terug te vinden. Bij de rivier zwom een witte zwaan. Hij zei:’?klim maar op mijn rug, ik wijs jullie de weg’?.
En Hans en Grietje klommen op de brede rug van de zwaan en lieten zich meevoeren door de lange brede rivier.
En na een paar uur, herkende ze de omgeving. Ze bedankte de zwaan en liepen samen verder.

(flexibel,openheid)
Op het eind van het bospad zagen ze vader op het tuinbankje zitten voor het huis.
Hij rende op Hans en Grietje af, toen hij ze zag. Hij kon zijn ogen niet geloven. Hij sloot ze in hun armen.
Moeder had hij de deur uit gedaan en al die tijd had hij spijt gehad van zijn wrede beslissing.
Hans en Grietje lieten al het goud zien en vergaven vader voor wat hij gedaan had.
En ze leefde met zijn drieën nog lang en gelukkig.

Be Sociable, Share!

0 reacties ↓

Nog geen reacties... Begin jij nu?

Reageer