web analytics

Goudvonkje

Er was eens een Gouden Vonkje…….

Vonkje woonde in de vonkenkolonie héél dicht bij Opperschepper.

Opperschepper
hield zielsveel van elk van hen. Zij waren één met Hem. Eigenlijk waren
ze Hem! Want ze waren behept met precies dezelfde eigenschappen als
Hijzelf – scheppen en creëren. Ze konden nieuwe werelden creëren –
fantaseren – scheppen. Net zoals hij. De wondervonkjes waren zijn eigen
creatie. Hij had ze gemaakt om nóg meer te kunnen creëren dan hij in
zijn eentje kon. Hij genoot van iedere creatie van elk van hen of het
nu een mooie vaas was of een mooi boeket, een mooi gebouw een nieuwe
baan. Het maakte niet uit. Alles kon. Er was alleen één maar. Het
vonkenvolkje kon alleen op aarde scheppen en creëren: de planeet van de
oneindige mogelijkheden.. Ze konden scheppen en creëren zodra ze
geïncarneerd waren in een mensenwezen. Dáár konden ze van de ene vorm
naar de andere gaan en de ene vorm na de andere creëren. In élk
mensenkind zat dus zo’n Gouden Innerlijk Kind ofwel een Wonderkind.
Opperschepper danste van plezier telkens als hij zag dat één van zijn
Wonderkinderen wéér iets nieuws verzonnen had én in vorm gebracht. O,
wat hield hij van ze…!

Dit verhaal gaat over één specifiek
vonkje die Roelman heet. Voor Roelman incarneerde had hij samen met
Opperschepper een soort Rode Draad, een Thema bedacht voor alle
scheppingen in zijn leven. Én daar ging hij…. Met een grote
sprong……. Want hij had er zin in………

Roelman
ging metéén aan de slag. Hij produceerde mooie geluidjes – later
vloedstromen van woorden maar de grote mensen om hen heen hoorden hem
niet. Leerden hem dat hij zoet moest zijn dat betekende stil zijn.
Roelman creëerde mooie springpatronen op de stoeptegels, maakte hele
schilderijen met vingerverf, bakte de lekkerste zandtaartjes in de
zandbak maar de grote mensen zagen het niet, zaten met hun hoofd bij
belangrijker zaken. Roelman hield ervan hard te rennen, door de plassen
te stampen als het had geregend, door de wondere witte wereld v.d.
sneeuwvlokjes te lopen die naar beneden dwarrelden en van boomhutten te
maken én nog véél meer, maar de grote mensen vonden dit geen net gedrag
en leerden hem zich netjes te gedragen. Dit betekende zich niet vies
maken….. Hij liet ze het spinrag zien, de zonnestralen op een blad,
de rupsjes die vlinder werden, de wondere kleuren spectrums om de
mensen heen maar niemand zag wat Roelman zag. Roelman raakte erg war.
Hij was toch naar de aarde gekomen om te scheppen, zich te verwonderen
samen met al die andere wonderwezens. Niemand – bijna niemand deed
het……In het begin was hij erg verward – later boos – en toen dat
niet hielp gefrustreerd en tenslotte moedeloos. Hij gaf het op, leerde
de regels en deed zoals het iedereen het deed. En goudvonkje? Roelman
stopte Goudvonkje héél diep weg, achter een dikke muur met een deurknop
aan de buitenkant met een héél klein sprankje hoop dat er ooit nog eens
een mensenkind de moeite zou nemen Goudvonkje te vinden………..

Roelman
groeide op zoals het hoorde en vergat goudvonkje, zijn rode draad en
zijn scheppingsdrang. Hij vergat dat er een gouden wonderkind in hem
woonde. En Roelman werd een jongman die frank en vrij door de wereld
stapte. Of ook weer niet. Want hij deed zoals iedereen deed. Hij deed
zoals het hoorde. Maar wie was hijzelf? Was hij zichzelf wel?
Hij
had een goede baan met verantwoordelijkheid. Hij verdiende behoorlijk
en had het er goed naar zijn zin. En toch ook weer niet! Als hij héél
eerlijk was, zat er al een tijd zo’n stemmetje te knagen maar die
hoorde hij liever niet. Hij was druk, héél druk en dat hielp hem niet
te hoeven voelen dat het leeg was van binnen. Voelen, dat deed hij maar
liever niet……

Op een dag liep hij moedeloos, zomaar zonder
een doel het bos in. Ergens had hij een vaag idee van een cen-trum. Een
gebouw met een lange gang waar allemaal deuren op uitkwamen. Achter die
deuren zaten allemaal disciplines die elkaar aanvulden en met elkaar
samenwerkten. Maar hij – welke rol had hij daar?
Wat kon hij? Kon
hij wel iets? Zo klom hij piekerend in zichzelf naar boven, de berg op.
Hij zag niets. Hij zag zélfs niet dat het geen gewoon bos was. Iets had
hem de Toverberg opgedreven. Zelf had hij geen idee van Wie!
Van
oudsher beklommen mensen deze berg als ze met een vraag zaten, of een
probleem. Het verhaal deed de ronde dat mensen er altijd
getransformeerd vanaf kwamen. Zij kwamen veranderd terug – als nieuw –
als herboren. Maar Roelman besefte dit niet – had geen idee waar hij
was – wie hij was – welk innerlijk doel hem de berg op dreef. Hij liep
en hij liep…………

Wel viel hem op dat hij steeds van die
rare bordjes tegen kwam. Op elk bordje stond een vraag. Het waren van
die vragen waar hij niets mee kon. Niet dat hij de vragen niet wilde
beantwoorden, maar hij kwam niet bij de antwoorden. Alsof hij tegen een
muur aanliep. Als hij de vragen al wilde beantwoorden dan kon hij niet
bij de antwoorden, want van binnen zat die muur..Van binnen voelde het
leeg. Hij had geen idee ……
Op het 1e bordje stond:
WAAR GA JE NAAR TOE?
WAT WIL JE BEREIKEN?
WAT IS HET DOEL?
Roelman
haalde zijn schouders op. Hij had geen idee waar hij naar toe ging. Hij
was daar ook niet nieuwsgierig naar. Of misschien toch wel? Het doet er
niet toe waar ik heen ga, dacht hij. Het heeft toch geek zin. Ik kan
toch niet doen wat ik zélf wil. Of misschien toch wel? Wat ik wil
bereiken, peinsde hij. Hij had geen idee van wat nog meer – hij had al
een prachtige baan – een vrouw – meer dan genoeg geld…….. Toen kwam
dat rare vage plan weer op. Dat gebouw met die verschillende
disciplines als een kleine lastige flits.
Hij had gen zin daar verder over na te denken. Hij zag zichzelf daar tóch buiten staan.
Want wat kón hij, hij kon niets immers……!

Roelman sjokte moedeloos voort en liep bijna tegen het 2e bordje op.
Op het 2e bordje stond:
HOE BEREIK JE JE DOEL?
WAAR IS JE DOEL GELOCALISEERD – WAAR  WORDT DEZE UITGEVOERD?
WANNEER – WELKE DATUM EN TIJD HEB JE JE DOEL BEREIKT?
WELKE OMGEVINGSFACTOREN ZIJN BEVORDEREND JE DOEL TE BEREIKEN?
WELKE OMGEVINGSFACTOREN BELEMMEREN JE DOEL?
Wát
een vragen dacht Roelman. Ik weet niet eens mijn doel. Mijn huidige
werk is dat mijn levensdoel? Nee, dat dacht hij toch niet. Maar wat
dan? Weer voelde hij die rare leegte in zijn buik én die muur! En vóór
hij door wilde lopen kwam weer dat vage beeld op van dat centrum! Snel
liep hij door…..

Algauw was er wéér zo’n bordje!
Op het 3e bordje stond:
WAT DOE JE OM JE DOEL TE BEREIKEN?
WELK GEDRAG STAAT JE IN DE WEG JE DOEL TE VERWEZENLIJKEN?
O,
nu is het zeker mijn eigen schuld dat ik niets voorstel en niets
bereik. Mijn gedrag klopt zeker niet, werd boos! Dát had hij lang niet
meer gevoeld. Eigenlijk voelde hij niet gauw iets. Wát een rotvragen én
wéér dat beeld over dat centrum. Wat heeft dat vervloekte centrum er nu
mee te maken! Moet ik soms álles opgeven wat ik nu heb? Zeker als
bedelaar rondkomen! In wat voor vervloekt bos loop ik eigenlijk.
Ik wil die bordjes helemaal niet lezen! Geërgerd liep hij door.

Vastbesloten
liep Roel langs het 4e bordje heen. Maar hij had niet kunnen laten er
toch even een blik op te werpen. Nee, hij wilde het niet! Liep gauw
door. Na een hele tijd dacht hij, toch wel leuk vaardigheden te
ontwikkelen. Zou ik dat ook kunnen? Iets nieuws ontwikkelen? Want op
het 4e bordje stond:
WELKE VAARDIGHEDEN HEB JE IN JE OM JE DOEL TE BEREIKEN
WELKE VAARDIG MOET JE NOG ONTWIKKELEN OM JE DOEL TE BEREIKEN

Op het 5e bordje stond:
WELKE OVERTUIGINGEN HELPEN JE JE DOEL TE BEREIKEN
WELKE OVERTUIGINGEN STAAN JE IN DE WEG
Nu
is het afgelopen met die bordjes dacht Roelman. Ik weet geen doel. Ik
heb geen doel, wil er ook geen hebben want ik doe toch nooit iets goed
en deug nergens voor. Roels mond zakte open van verbazing, keek opnieuw
naar de tekst. Dat staat mij dus in de weg! Dat is denk dat ik niets
kan en nergens anders voor deug dan ik nu doe! Goed, maar als ik aan
mijn Doel denk is er steeds die leegte – die rotmuur – én dat vage
beeld. Ik moet uit zien te vinden dacht Roelman wat mijn Doel is. Ik
weet het écht niet! Hoe zou ik daar achter kunnen komen.
Ik wil er achter zien te komen. Dan is dat voorlopig mijn doel! Erachter komen wat mijn Missie is.

Voor
hij het wist struikelde hij bijna over een oude man die achteloos tegen
het 6e bordje stond geleund. De man had glanzende ogen. Die man is vast
héél wijs dacht hij. WIE BEN JE vroeg de man vriendelijk. WIE BEN JE –
stond op het bordje. Ik weet het niet – werkelijk ik weet het niet
stamelde Roelman Het huilen stond hem nu nader dan het lachen. Dat is
mijn probleem – Ik weet werkelijk niet wie ik ben, wat mijn doel is!
Loop dan naar het meer en kijk diep in de vijver dan zul je het weten
zei de man. Roelman liep al verder terwijl, die man hem nog van alles
nariep!
‘¢    Weet dat dit jou weg is.
‘¢    Je mag jou eigen weg gaan
‘¢    Ga je eigen weg
‘¢    Ga eindelijk je eigen weg!!!
‘¢    Creëer je eigen pad én stop nooit met creëren.
Dat is je missie!

Bij deze woorden brak er iets in Roelmans borst.
Alsof er een dikke dijk doorbrak. Hij huilde – huilde – huilde maar door.
Door de waas van tranen zag hij wat er op het 7e bordje stond:

MISSIE

Hij
liep door naar het meer en keek er in. Hij keek en keek én huilde en
huilde. Hij zag een prachtige gouden stroom van licht met daarin het
Gouden Wonderkind dat alsmaar creëerde – Het kind dat vol plannen en
ideeën zit, álle kleine en grote wonderen ziet. Wonderen creëert,
Wonder Is.
IK HEB JE WEER GEVONDEN DACHT HIJ……
HOE HEB IK JE KUNNEN VERGETEN!
IK WIL JOU WEER ZIJN!
IK BEN JOU!

Roelman straalde
Hij wist weer wie hij was.
Hij was het Gouden Wonderkind dat straalt – schept -creëert. Hij wist het weer!
Wie weet kon hij nu ook anderen helpen hun eigen Gouden Wonderkind terug te vinden. Dat wilde hij graag!
De
woorden van de Wijze klonken opnieuw in zijn oren. Opnieuw kwam het
beeld van het centrum in hem op. Het was geen vaag beeld meer, maar een
helder beeld. Hij stond er niet meer buiten maar erin. Hij was in het
centrum aan het werk, sámen met anderen.

Hij rende de berg af, langs de Wijze heen die hem met een stralende glimlach nakeek.
Bij elk bordje stond hij nog even stil. Op elke vraag had hij nu wél een antwoord.
Hij had zijn eerste doelen bereikt.

HIJ WIST ZIJN MISSIE WEER.
HIJ WIST WEER WIE HIJ WAS.
HIJ WAS DOLBLIJ.

Be Sociable, Share!

0 reacties ↓

Nog geen reacties... Begin jij nu?

Reageer